Achternamen vanaf Ka
kaag - buitendijks land; ofra. kách; mnl. caghe, koog 'licht bekaaid buitendijks land'. Kaag zou de Friese vorm zijn en koog de Hollandse.
kaak - walviskaak, gerechtsplaats
kaal - onbedekt
kaap - baken voor de zevaart
Kabaktepe: Turkse familienaam met de betekenis 'pompoenberg'; van het tu. kabak 'pompoen' en tepe 'berg'.
kade - lage dijk, oeverdam
Kafute: Boerderijnaam onder Lochem (Gld) met de betekenis 'kuiffuut' (Podiceps cristatus). Via de dialectuitspraak koef-fute verworden tot kafute. Buurboerderijen dragen de naam Koekoek en Kiefte.
Ook een aannemelijk verklaring is dat het een verbastering is van het gewestelijke (1926-1950) kavete (vormvariant kavietse), "oud, bouwvallig huis" (v.h. Fra. cavité 'holte')Kagei: Deze familienaam komt slechts 7x voor in de telefoonlijst van 1996 en wel 4x in ZH, 2x in NB en 1x in Gld. Zie Kagie.
Kagie: 51x Kagie in Ned. 1x Kagi in Brussel, 0 Kagi(e) in Du.
1. Van Dale geeft voor kagie 'raam of berrie waarop valken in het jachtveld vervoerd worden' en de term is afgeleid van het mnl. cage 'kooi, gevangenis' en dat weer van het fra. cage. De drager van zo'n kagie werd de kagiejongen genoemd. Het zou dan een gereduceerde beroepsnaam kunnen zijn.
2. Daar het een voornamelijk in het westen van Ned. - 45 % van de naamdragers komt uit ZH - voorkomende naam is, zou het een afleiding van het mnl. verkleinwoord voor caech, caechie zijnde 'buitendijks land' kunnen zijn. In het 'Tractaet van Dijckagie' in de plaats Botshoofd op Tholen, is deze vorm misschien ook aanwezig.
3. Een andere mogelijkheid is dat het afleiding is van mnl. cachie 'kaatsbaan, veld'.
4. Een geïmporteerde naam vanuit het zuiden van Duitsland. In het hd. gebied is Kage, Kag een 'kruiden-stronk'. Het zou dan een beroepsnaam kunnen zijn. In 1284 is er in de Elsaß sprake van een Albrecht der Kage. In het Zwitsers Alemannisch gedeelte is dat Kägi, maar in Würtemberg Kägli. Een bevestiging van dit laatste vermoeden zijn de plaatselijke namen zoals Kag, Kagen, Kager (vaak in Beieren en Oostenrijk), met daarnaast ook Kagerbauer, Kagerhuber.
5. Door de familienaam met de vorm Kagei kan ook een link worden gelegd naar het ww. kageien, kagaaien (gewestelijk) 'beuzelen, babbelen' en (1613) vermoedelijk van het depreciërende voorvoegsel ka- + gaai (spotvogel, dom mens). In dit geval is er dan sprake van een bijnaam of eigenschapsnaam.Zonder stamboomonderzoek blijft het giswerk. Wie stuurt mij de definitieve verklaring?
Kalis, Kalisbeek, Kalischnig, Kalishoek, Kalisvaart, Kalisz in Nederland, Kalisch, Kalisz in Duitsland en de vormen Kalis, Kalisch, Kalishoek, Kallis in België voeren allemaal terug op de Poolse plaatsnaam Kalisch/Kalisz. Deze plaatsnaam is zelf afgeleid van een adresnaam, nl. 'moeras, troebel water'. Deze adresnamen hoeven niet alleen Pools te zijn, het kunnen ook sorbische of tsjechische namen zijn (nsorb. kalis, pools kalic, tsjech. kalit 'moerassige plek').
De adresnaam Kalis als persoonsnaam duikt al in 1309 op, waarna zich later ook nog volksetymologische invloeden lieten gelden. Waarschijnlijk waren het 'arme Polen' die hier een boterham trachtten te verdienen en werd hun naam verbonden aan die van zigeuners. Zo vermeldt de 'van Dale':
"kalis (1596) van zigeunertaal kalo 'zwart, zigeuner', de betekenis is beïnvloed door 'kaal'.
1. (oorspronkelijk) vagebond, schooier
2. (vandaar) berooid persoon, arme drommel.Noch kalo, noch kale kunnen de consequent aanwezige uitgang '-s, -sz, sch' aan Kalis verklaren.
Jongere plaatsnamen, zoals Kalisbuurt (1838-1856) in de gem. Tholen en Kalishoek (1913) in de gem. Chaam (NB) kunnen niet meer model hebben gestaan voor familienamen. Deze stammen van vóór 1811.
Ernst Mucke (in het Sorbisch: Arnost Muka, 1881-1929) duidt in zijn Abhandlungen und Beiträge zur sorbischen Namenkunde (herdruk 1984 Leipzig) op mogelijk verstrengeling met de beroepsnaam voor 'wever' Tkalc, gewestelijk als Kalc geschreven. Een begincombinatie 'tk' die we in het Nederlands niet kennen, zouden we gemakkelijk als " 't ka(l)c' " kunnen interpreteren. 'Weverij' is in het Pools tkalnia en 'wever' tkac.
kamer - woning; gereserveerd bosgebied
kamp - in n.o. Nederland 'stuk bouwland, omgeven door een akkermaalsheg (bosheege) op een wal'. Dit rijmt met de definitie van 'afgesloten (afgeperkte) akker of hooiland'; van het lat. campus 'veld', maar dan in samenhang met de functie. De samenstellingen met 'kamp' in de familienamen zijn legio. Kampman, Kamman, Kamphendriks, Koelenkamp, Kruiskamp, Kampen, Kamper, Kemper, Strotkemper, Holtkamp, Iemenkamp (= 'Bijen'kamp), Ingenkamp, Optekamp, etc.
In het rivierengebied zal men dan vaker aan hooiland moeten denken.
Kamp = een omheind, afgerasterd weide- of akkerland.Kamperman: Herkomstnaam van een voorvader uit Kampen (zelf een datief meervoud van kamp; z.a.). Welke plaats Kampen bedoeld wordt moet genealogisch onderzoek uitwijzen.
Een kamper kan ook een bewoner/bewerker van een kamp zijn. Een kamperman is dan de boer daar in functie. In dit geval spreken we van een adresnaam. Vgl. Belterman, Velderman.Kampschuur: Adresnaam van een voorvader die woonde in een (aanvankelijke) 'akkerschuur'; zie kamp.
kanjel - goot, waterleiding
kapel - komt van het lat. capella 'manteltje', een verkleinwoord van cappa 'mantel met kap'. De heilige Martinus (St. Maarten), die in 371 bisschop van Tours werd, gaf op 15 jarige leeftijd - hij was toen bij de ruiterij in Gallië - de helft van zijn mantel aan een bedelaar. In de nacht daarop zou hij Christus hebben gezien, bekleed met deze mantel. Na zijn dood werd zijn mantel als relikwie door de Frankische vorsten vereerd en werd capella ook gebruikt voor de kamer waar de mantel bewaard werd; vanaf ongeveer 800 ging capella 'klein kerkgebouw voor familiegebruik' betekenen. De priester van een capella werd kapelaan genoemd.
Kapel, van Kapel, Kapell, Kapelle, Kapellen: Adresnaam van een voorvader die woonde bij een 'kapel'. Kapellen betekent 'van Kapelle'.
Kaplan: Turkse familienaam met de betekenis tijger.
Kappert: Beroepsnaam met de varianten Cappert, Cappaert afgeleid van cappaert 'kloosterbroeder'.
Karakuş: Turkse familienaam met de betekenis 'zwarte vogel'; van kara 'zwart' en kuş 'vogel'.
Kardaş: Turkse familienaam met de betekenis 'broeder'; van tu. kardaş, kardeş 'broer, broertje; jong zusje; (joviaal) maatje, vriend'.
Kardijk: Adresnaam van een voorvader die woonde aan een 'karrendijk'. Men moet er wel van uitgaan dat 'dijk' hier simpel 'weg' beduidt - hetgeen in oostnl. gebruikelijk is - temeer daar het gros van de Kardijk's in het oosten van het land woont. (Zie 'vaardijk')
Karreman: Beroepsnaam. Opmerkelijk dat we nu zouden moeten zeggen karrenman, karrenlieden. De functie kan verschillend zijn:
- voerman van, rijder met een kar
- rondventer in de veenderijen
- (gewestelijk) boer met slechts één paard, waarmee hij zich verhuurt.
Karsenberg: Zie Kassenberg.
Karsenboom: Oost-Nederlandse/Nederduitse variant van Kersenboom. Een adresnaam van van een voorvader die woonde bij een (wilde) kersenboom; van dial. Karse 'kers'.
Karsten: Patroniem (z.a.) met zwakke 2e naamval met de betekenis 'van Karst' ofwel 'van Christiaan'. Van de naam Christiaan komen veel vormen voor, zowel met 'a' als met 'e'. Zie bijv. de familienaam Kersjes.
Kassebaum: Oost-Nederlandse/Limburgse/Nederduitse variant van Kersenboom. Een adresnaam van van een voorvader die woonde bij een (wilde) kersenboom; van dial. Kasse met r-verlies of r-Schwund van Karse 'kers' en du. Baum 'boom'.
Zie Kassenberg.Kassenberg: Adresnaam van een voorvader die woonde bij een heuvel (in Oost-Nederland doorgaans 'berg' genoemd) begroeid met (wilde) kersen; 'r' voor 's' wordt in oost-nl. niet uitgesproken. kass'n 'kersen'; met geknepen 'a' bas 'barst', mas 'mars'. (Zie Kassebaum)
kaster - legerplaats
kat - vissersboot, verdedigingstoren
kate, cate, kote, cote - mnl. huisje, hut. Als het uitgroeide tot een 'klein boerderijtje' dat bewerkt werd door de koter, keuter, kater, dan noemde men het een katerstede, coterstede.
kateel, kateil - mnl. (1237) ‘stuk vee, vee, roerend goed’; van het ofra. catel 'vee'. Vgl. nen. cattle.
Kaya: Turkse familienaam met de betekenis 'rots'. Van het tu. kaya 'rots'.
keeg - buitendijks land. Zie kaag en de familienaam Kagie.
keen - spleet, geul in buitendijkse grond
keern - viskuil
kel - geul
Kelle, Kellen: Gereduceerde beroepsnaam voor de maker van kellen, van oorsprong 'veldflessen, leren flessen', maar later 'scheplepel, pollepel'. De vorm Kellen is de zwakke genitiefvorm met de betekenis 'van Kelle'.
Kellenaar, Kellenaers: Familienaam die woonplaats of functie van een voorvader weergeeft. Met een 's' van de sterke genitief heeft het de betekenis 'van de kellenaer'. Een kellenaar woonde bij of in de kelder, klooster of wijnhuis. Het is een overwegend Z.O.-Brabantse / Z.-Limburgse familienaam. In het mnl. was een kelnare, kellenare een keldermeester, een opzichter over de voorraadkamer, vooral in een klooster. Omdat voorraden en inkomsten sterk samenhangen kreeg de functie ook de inhoud van 'bestuurder van de inkomsten van een klooster'. Als zodanig staat het nu nog in de van Dale: kellenaar 'econoom van een kloostergemeenschap'.
Kemal: Turkse voornaam met de betekenis 'rijpheid, volwassenheid'. Van tu. kemal, kemali 'rijpheid'.
Hiervan afgeleid kemalisten 'volgers van de ideeën van Mustafa Kemal pasja (= Atatürk)' (pasja 'generaal') en Kemalist laiklik, een Turks internetforum betreffende de laiklik 'secularisatie'.
kemenade - huis met schoorsteen of vuurplaats (vgl. en. chimney, via fr. cheminée van het la. caminus 'oven, haardvuur'; vgl. du. Kamin 'open haard, schouw', maar oorspr. 'schoorsteen'). Zie ook Kiemeney.
Kemmink: Oost-Nederlands patroniem met de betekenis 'de nakomelingen van Kemmo/Kammo/Campo'. Zie suffix -ing, -ink en het voornamenboek van J. van der Schaar.
Kennedy: Keltische bijnaam die tot geslachtsnaam is geworden. In Ierland en Schotland met de betekenis 'lelijke kop'.
Keppels: Oost-Nederlandse herkomstnaam met de betekenis 'van Keppel'. Keppel is een heerlijkheid en huis in Hummelo (Gld). In oorsprong staat Keppel voor 'kapel'. Van de 63 geturfden komen er 50 in Oost-Nederland voor.
Kerkwijk: Herkomstnaam van een voorvader uit 1. Kerkwijk bij Zaltbommel (Gld); 2. buurt bij Berlicum (NB); 3. buurt bij Leiderdorp (Z-H). Mocht het voorgaande niet het geval zijn, dan is het een adresnaam die het gevolg is van het feit dat een voorvader woonde in een wijk 'woonkwartier' bij een kerk 'godshuis'.
kernnaam - een naam die in een bepaalde provincie meer dan 100x voorkomt en waarbij bovendien meer dan 50 % van de naamdragers zich in één gemeente concentreert.
Kers: Patroniem (z.a.); van een vleivorm van de roepnaam Christiaan. Andere voorbeelden zijn: Kars(t), Kerst, Karstje, Kerstje etc.
Kersjes: Patroniem (z.a.) met sterke 2e naamval met de betekenis 'van Kers(t), van Kars(t)' ofwel 'van Christiaan'. Van de naam Christiaan komen veel vormen voor, zowel met 'a' als met 'e'. Zie ook Karsten, Kersten.
Kersten: Patroniem (z.a.) met zwakke 2e naamval met de betekenis 'van Kerst, van Karst' ofwel 'van Christiaan'. Van de naam Christiaan komen veel vormen voor, zowel met 'a' als met 'e'.
Kerstholt: Adresnaam (z.a.) van een voorvader die woonde bij het holt van Kerst, Karst. Holt 'bos' en Karst, Karsten varianten van de roepnaam Christiaan met de betekenis 'gezalfde'. Een veel voorkomende in Groningen en Drente (95x in NL), alsmede in Lippeland (m.n. Meschede) Duitsland (55x in BRD).
Ketting: Het lijkt geen Oost-Nederlandse '-ing'-naam gezien de turflijst. Een voornaam als Halling of Reuding is het ook niet. Volgens het Meertensinstituut is het een verkorte beroepsnaam van een voorvader die (gouden) kettingen maakte.
534x Ketting, waarvan 100x Oost-Nederland en 76x N.H., 300x Z.H., 28x Zl.Keuning: Zie Koning.
Kho: Een uit China herkomstige naam. In 1996 waren er in Nederland 76 telefoonaansluitingen onder de naam Kho en nog een stuk of 9 onder de naam Kha. Als het uitspraakvarianten van elkaar zijn, dan is deze familienaam een adresnaam, want het Tibetaanse kha betekent 'vallei'.
Kieft, Kiefte, de Kiefte, te Kiefte, (Köfte?): Het is te gemakkelijk de naam als een eigenschapsnaam te zien voor een 'kwieke' voorvader, bovendien is een 't' op het end vaak een collectief 't' en dat houdt in dat de stam kief zou moeten bestaan, een vorm die sterk lijkt op kuip (mnl. kupe, du. Kufe), maar misschien ook bedoeld als laagte, kom, kuil, pan in het landschap. Voor dit laatste pleit de oorsprong van de plaatsnaam Keevil in Wiltshire in Engeland. De plaats wordt in 964 geschreven als Kefle', in 1086 als Chivele, zeg maar als 'kiefloo, een loo (gebruiksbos z.a.) in een kom'. Hiermee zouden dan ook de familienamen Kiefman, Kiefmann, Kiefmeijer, Kiefmeyer verklaard kunnen worden. Vervolgens is het dan een kleine stap naar de zdu. beroepsnamennamen Kiefl, Kiefer, die zijn ontstaan door ontronding van Küfer 'kuiper', maar ook naar de familienamen Kuffeler 'cuvelaar', Kuffen 'van de cuve', Kufferath 'cuverode, de gerooide kom, kuip', waarbij ik opzettelijk het mnl. cuve 'kuip' gebruik, maar dat ook cuwe, cauwe, couwe of keuwe zou kunnen zijn.
Conclusie? Er zal wel de nodige contaminatie tussen de beide begrippen kievit en kief zijn opgetreden. De enige uitkomst is genealogisch onderzoek. Aan de naamdragers de eer. (Zie Hekket).
kiel - zie kil
Kiemenai, Kiemeneij, Kiemeney, Kimena, Kimenai, Kimmenade, (van) Kimmenaede, :
kien - pijnboom, in hoogveen gevonden hout
kijf - twist
kil - stromend water, rivierbedding
Kiliaan, Kilianus: Herkomstnaam met de betekenis 'van Kiel'. Een bekend iemand is Cornelius Kiliaan (Cornelis van Kiel, Duffel wsch. 1530 - Antwerpen 15-4-1607). In zijn bekendste boek, Etymologicum teutonica linguae, beschreef hij woorden uit zijn eigen dialect, het Brabants, en vergeleek die met woorden uit andere gewesten en andere talen. Dit boek kan worden beschouwd als een voorloper van de nu bestaande etymologische woordenboeken. De Kiliaanstichting ter bevordering van het etymologisch onderzoek in België en Nederland, opgericht in Leiden in 1988, is naar hem vernoemd.
Kilic: Fout gespelde Turkse familienaam met de betekenis 'zwaard'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel'. De tu. ı is de sjwa (nl. 'stomme e').
Kilicarslan, Kilicaslan: Fout gespelde Turkse familienaam met ong. de betekenis 'de leeuw die het zwaard voert'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel' en aslan, arslan 'leeuw'.
Kiliccan: Fout gespelde Turkse familienaam met ong. de betekenis 'de ziel van het zwaard'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel' en can 'ziel, energie'.
N.B.: Als ook can een verschrijving van çan 'klok' zou zijn, dan 'de klank van het zwaard'. Zie Kilichan.Kilicdere: Fout gespelde Turkse familienaam met ong. de betekenis 'de vallei van het zwaard'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel' en dere 'vallei, dal'.
Kilichan: Fout gespelde Turkse familienaam met ong. de betekenis 'de koning van het zwaard'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel' en han 'khan, chan = vorstelijke titel', kachan 'grootvorstelijke titel'.
Kilickaya: Fout gespelde Turkse familienaam met ong. de betekenis 'het zwaard staat als een rots'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel' en kaya 'rots'.
Kilicoglu: Fout gespelde Turkse familienaam met ong. de betekenis 'de zoon van het zwaard'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel' en oğlu 'zoon'.
Kilicsoy: Fout gespelde Turkse familienaam met ong. de betekenis 'de nakomelingen van het zwaard'. Van het tu. kılıç 'zwaard, degen, sabel' en soy 'stam, volk, afkomst, nakomelingen'.
Kip: Een gereduceerde beroepsnaam van een kippenverkoper of een kippenfokker.
Toch moet men er in Oost-Ned. op verdacht zijn dat Kip, Kippe ook een veldnaam, dus voor de gebruiker een adresnaam, kan zijn.
Verder is mogelijk dat kip, kiep (18e eeuw) betrekking heeft op een puntmuts of -hoed.Een kip of kiepe was ook de mand waarmee de marskramer langs de deur ging. In Münster staat een beeld van een Kiepnkeerl. Ook dan hebben we weer te maken met een gereduceerde beroepsnaam 'man met de kiepe'. In het Oud-Noors is kippa 'mand, korf'; als oudste betekenis denkt men aan vlechtwerk. Kıraç: Turkse familienaam met een betekenis die betrekking heeft op de geboortegrond (tu. toprak) dor, schraal, onvruchtbaar door droogte, braak, kaal.
Kiraz: Turkse familienaam met de betekenis Kers(eboom), een adresnaam, ofschoon ik Kiraz ook als meisjesnaam tegenkwam.
Kjaergaard: Een voorvader die zijn naam heeft overgehouden aan zijn 'meest geliefde gebouw of boerderij'; van het skand. kjære 'lief' en gaard 'boerderij, gebouw'. Kjære stamt van het lat. carus 'waardevol; lief'.
Nordiske folket 'het Noordse volk' spreekt de "k" uit als "chj", bijv. kirke als 'chjirke' (vgl. fri. "stjirke").Kladder, Cladder: In de middeleeuwen een normale beroepsnaam met de betekenis schilder, huisschilder of verver, echter nu in pejoratieve zin veranderd. Toch was 'kladder' in de 19de eeuw West-Friesland nog in deze betekenis bekend. In het telefoonboek van 1996 komt de geslachtsnaam Kladder 7x voor in de provincie Groningen, Cladder 24x en dan hoofdzakelijk in de provincie Noord-Holland.
klaphek - waterafsluiting
Kleine Deters: Familienaam gebaseerd op een erf dat afgesplitst is van Deters (zie aldaar).
Klein Bruinink: Familienaam gebaseerd op een een erf dat is afgesplitst van 'Bruinink' (zie aldaar).
Kleinluchtenbeld: Rond 1700 komt de bevolkingsgroei op gang en dan krijg je jongere erven naast de oude. Zo Kleinluchtenbelt naast Luchtenbelt. Verder kunnen we te maken krijgen met lokale ontrondingsverschijnselen, waarbij men een verloop ziet van - in dit geval - Logtenberg, Lugtenberg, Ligtenberg naar Legtenberg. Het telefoon boek van 1996 levert de volgende gegevens:
Lechtenberg - 1 - Amstelveen Legtenberg - 68 - Twente Leichtenberg - 15 - Alkmaar, Sassenheim Lichtenbeld - 21 - Zutphen Ligtenbeld - 3 - Deventer Lichtenbelt - 15 - Bollenstreek (ZH/NH) Ligtenbelt - 5 - Wageningen Lichtenberg - 177 - Nijverdal tot Aalten Ligtenbarg - 86 - waarvan 50 in Zuid-Twente en de Achterhoek Ligtenberg - 5875 - 1. Nijverdal, Rijssen en 2. Bergen op Zoom tot den Bosch. Lochtenberg - 88 - 1. Nijmegen en 2. Amsterdam, Volendam, Hilversum Lochtenbergh - 26 - 1. Den Haag, Wassenaar, 2. Amsterdam en 3. Doetinchem Logtenberg - 697 - Apeldoorn, Noord-West-Veluwe samen met het gebied Wijhe/Olst Luchtenbelt - 7 - Zwolle Luchtenberg - 88 - Assen, Groningen en Raalte Lugtenberg - 110 - Voorst tot Dalfsen (Oost-IJsseloever) Kleinluchtenbeld - 9 - Eibergen, Enschede Kleinlugtebeld - 21 - Lemelerveld Kleinlugtenbeld - 73 - Ommen, Lemelerveld, Dalfsen Kleinlugtenbeldt - 3 - Ommen Kleinlugtenbelt - 37 - Ommen, Den Ham, Lemelerveld, RaalteOpmerkelijk is het dat er geen Kleinl... namen zijn op -berg; de e, i, o vorm komt niet voor. Ik kan me ook niet aan de indruk ontrekken dat een bepaalde familienaamgroep van katholieke origine is en een andere protestants.
In het mnl. kwamen voor licht inderdaad de vormen liecht, lecht, lucht, locht, -te voor, dus zo verwonderlijk zijn de schrijfwijzen niet. Leichtenberg zal wel een polderuitspraak zijn. De betekenis? Het is een adresnaam (z.a.) die aangeeft dat de voorvader, aan wie men deze naam heeft te danken, bij een 'heldere, stralende belt/berg' woonde. In de tijd dat er nog schadden gestoken en plaggen gemaaid werden voor het verrijken van de koe- en schapenmest kan een dergelijke belt een zeer "licht/lucht/locht' opvallende, wellicht ook stuivende heuvel zijn geweest (vgl. Stoevenbelt).Klein Nijenhuis: Adresnaam behorend bij een erf dat via het Nijenhuis 'nieuwe huis' een tweede afspliting is van het oude, oorspronkelijke erf.
Kleinsman: Oost-Nederlandse adresnaam die Hekket (z.a.) als volgt omschreef: "Erve bij Langelo, Haaksbergen, genaamd Klein Langelo. In 1563 heet de bewoner Cleyn tho Langeloe, in 1633 Johan Kleine tho Langeloe genaamd Kleinsman. Klein kan een bijnaam geweest zijn, maar het Germaans kende de voornaam Cleine en Cleno."
klief - sluisje
Klijn: Patroniem, een vadersnaam afgeleid van Nicolaas.
kling - heuvel
klinge - ruisende bergbeek. Klinge, plaats in Pruisen.
klinkers (vocalen), halfklinkers (halfvocalen), medeklinkers (consonanten)
- klinker, vocaal - (m.) (1584) 'vocaal' afgeleid van klinken. In de taalkunde het in de stemspleet voortgebrachte, in de mondholte tot zijn bijzondere klank gevormde spraakgeluid, waarbij de uitgestoten adem op zijn weg naar buiten nergens wordt gestuit. Synoniem: klinkletter, vocaal; antoniem: medeklinker, consonant.
De a, e, i, o, u en eu, oe zijn klinkers. Voor de laatste beide hebben we (helaas) niet één letter zoals in het Duits.Hoe de klinkers worden uitgesproken is een verhaal apart. De karakteristieke klankkleur (het timbre) van de verschillende klinkers komt tot stand doordat het spraakkanaal door de stand van de tong, de lippen en het strottenhoofd in verschillende resonantieruimten kan worden verdeeld, waardoor verschillende boventonen van het door de stembanden voortgebrachte brongeluid kunnen worden versterkt. Het meest versterkte frequentiegebied (= toonhoogtegebied) van een gegeven klinker noemt men de formant van die klinker. Met name de eerste twee formanten gemeten vanaf de grondtoon bepalen de karakteristieke klankkleur van de klinker.
In termen van articulatie zijn vooral de volgende kenmerken van belang voor het onderscheiden van de klinkers:
- Voor tegenover achter: de ie van biet wordt voor in de mond uitgesproken (= de resonantieruimte voor de tong is relatief klein), de oe van boet achter in de mond.
- Hoog (gesloten) tegenover laag (open): de ie en de oe zijn hoog (= de tong ligt relatief hoog in de mond), de aa van baat is laag.
Verder de volgende articulatorische verschillen:- Gerond tegenover ongerond: de oe wordt met geronde lippen uitgesproken, de ie met ongeronde (vaak zijn hoge achterklinkers tevens gerond). Zing de toonladder maar eens met alleen de klinker oe en let op spanning en ronding van de lippen.
Deze eerste twee componenten kunnen in een zgn. klinkerdriehoek worden weergegeven.
voor achter ______________ hoog \ ie uu oe / \ eu / \ ee oo / \ / \ aa / \ / laag \/
- Gespannen tegenover ongespannen: de aa in baat wordt met betrekkelijk grote spierspanning van de articulatie-organen uitgesproken, de a in bad is ongespannen en kost minder moeite.
- Lang tegenover kort: in het Nederlands is de oe van voer langer dan de oe van voet.
- Nasaal tegenover niet-nasaal: nasale klinkers zijn klinkers waarbij de lucht niet alleen door de mond-, maar ook door de neusholte kan ontsnappen (door 'de neus spreken'). Het Nederlands kent geen nasale klinkers. Voorbeelden uit het Frans zijn de klinkers van un, bon, vin en blanco.
- Monoftong tegenover diftong (= tweeklank): De klinkers zijn echte enkelvoudige klanken, zgn. monoftongen of eenklanken, (1926-1950) van het Grieks monos 'alleen' en phthoggos 'stem, geluid', kortom echte 'enkele klinkers'. Antoniem: diftong, tweeklank (m.) (1568) uit het Frans diphtongue, van het Latijn diphtongus uit het Grieks diphthoggos 'tweeklank'. In de taalkunde een ondeelbare, ongelijkmatige klank waarbij men van de ene klinker overgaat op een andere klinker of een halfvocaal.
De au, ai, ei, ij, ui, oei zijn tweeklanken (oe en eu dus niet).
- halfklinker, halfvocaal - (m.) In de taalkunde de letterklank tussen klinker en medeklinker. Synoniem: glijklank, semi-vocaal. De j en de w zijn halfklinkers.
- medeklinker (m.) 1584 vertaling van Lat. consonans. In de taalkunde de spraakklank die ontstaat doordat de luchtstroom uit de longen op een bepaald punt van het spreekkanaal (bijv. huig, tong, tanden, lippen) belemmerd wordt.
Synoniem: consonant; antoniem: klinker, vocaal.
b, c, d, f zijn medeklinkers
b, d, z, v zijn stemhebbende medeklinkers
p, t, k, s, f, ch zijn stemloze medeklinkers.
'Stemhebbend' wil zeggen met gebruik van de stembanden. Door je vinger op de adamsappel van je strottenhoofd te leggen kun je ze bij het uitspreken voelen. 'Stemloze' maak je zonder gebruik van de stembanden. Bij het produceren van bijv. s voel je het strottenhoofd niet trillen.
kluft - deel van een buurtschap, oorspr. met het oog op rechts- of waterstaatsbelangen e.d.
Kluin: Nedersaksische herkomstnaam met de variant Klühn. Een voorvader die woonde bij een kluin 'veen, moeras'. In Oost-Ned. is de term specifiek voor zwart veen of zwarte turf.
kluis - klein huis
Inleiding + letteroverzicht